HENK HELMANTEL

Interview

Dit interview van Hans van Seventer met Helmantel komt uit het boek "Henk Helmantel" 2000, pp.19-29. Uitgegeven door ArtRevisited. Zie ook het artikel van Diederik Kraaijpoel. 

This interview in English

Voorwoord
"Er kwam eens een groep op bezoek waarvan een mevrouw zei: "Mijnheer, ik kan hier eigenlijk niet tegen; dit staat volledig buiten de werkelijkheid. Hier wordt een wereld gepresenteerd die niet bestaat en daar kan ik niet tegen."

We hebben daarover een heel gesprek gehad. Ik heb tegen haar gezegd dat er allerlei mensen zijn in de wereld die ook allemaal hun eigen taak hebben. Ik zie het als mijn taak om op mijn manier mijn vak uit te oefenen. Dat is ook weer een stuk van die totale werkelijkheid. Wat ik in beeld breng staat niet buiten de werkelijkheid maar vormt er een onderdeel van. Naast oorlog heb je vrede, naast vermoeidheid heb je levenskracht, naast ellende heb je plezier, en noem maar op, leven naast dood. Ik ben iemand die als het ware de wereld oproept van de harmonie, van datgene waar mensen zich goed bij voelen en waar ze ook in slechte omstandigheden misschien toch hun voordeel mee kunnen doen.

Ik ben er niet op uit een sociale functie uit te oefenen, maar indirect blijkt dat er toch mee te maken te hebben. Mensen beleven hier in de Weem, temidden van alles wat niet deugt, toch iets van hè, hè..., we kunnen hier even tot onszelf komen. Als ik mijn manier van schilderen zou maken tot een soort ideologie, tot een programma, dan zou ik er net naast schieten. 

Drijfveren
Ja, wat drijft mij? Er wordt mij inderdaad wel eens gevraagd hoe hou je het vol ? Jaar na jaar, dag na dag. Proberen te bereiken wat je voor ogen staat, dat is eigenlijk zo'n groots avontuur, dat je daar iedere keer weer naar terug verlangt. Ik verbaas me daar zelf wel eens over hoe het mogelijk is, dat ik bijvoorbeeld voor de vierde keer dezelfde pot schilder of dezelfde schaal of wat dan ook. Ik heb steeds weer die geweldige drang eruit te halen wat erin zit en zo mogelijk nog een stapje verder te komen. Je kunt ook de kunstgeschiedenis induiken en je afvragen waarom 17e eeuwse stillevenschilders steeds weer geboeid waren door die-zelfde roemer of berkemeier. Waarom iemand als de Italiaanse schilder Morandi zijn leven lang bezig kon zijn met een paar flessen, een paar doosjes, wat kruikjes en nog wat spulletjes. Toch is dat de uitdaging van zijn hele leven geweest, waar hij geweldige hoogten en avonturen mee heeft beleefd. Het zit hem niet zo zeer in de veelsoortigheid van je onderwerpen als wel in de intensiteit waarmee je iets ervaart, iets visueel beleeft. In de geschiedenis zijn vele schilders aan te wijzen die dat ook deden. 

Ik omring me graag met kunst die ik zeer bewonder. Zo'n collectie vormt een rijke voedingsbodem voor je eigen werk. Het zijn allemaal schilders die ook echt met schilderkunst bezig zijn. Met elkaar vormen zij een staalkaart van de oplossingen die iedereen bedenkt, ook binnen de figuratieve traditie. Dat vind ik boeiend en ook geweldig mooi om dagelijks te ervaren. Bijvoorbeeld tekenaars - een onderschatte groep - als Kees Stoop en Philip Kouwen. Van deze twee topkunstenaars hebben we tekeningen waar ik dagelijks naar kijk.

De roepstem van Rembrandt
Ik heb altijd willen schilderen. Dat begon al heel vroeg. In 1956 was er een Rembrandtjaar en stonden de tijdschriften vol met reportages en reprodukties over zijn werk. Die heb ik toen ijverig verzameld. Wij hadden toen oud-papieracties voor school-reisjes zoals dat in die tijd ging, en ik mocht daar pakken van maken. Zo kreeg ik de gelegenheid om al die tijdschriften op reproducties na te zoeken en in dat Rembrandtjaar was die oogst heel rijk.

Ik ben altijd geweldig gefascineerd geweest door Rembrandt. Misschien kun je de sporen daarvan waarnemen in mijn werk, alhoewel het technisch gezien anders ontstaat. De mate waarin ik met licht bezig ben is wel degelijk geïnspireerd door de oplos-singen die Rembrandt daarvoor heeft aangedragen. Qua men-taliteit sta ik dichter bij iemand als Vermeer. Rembrandt hield van het drama, terwijl ik het eigenlijk toch meer zoek in oplossingen van een klare compositie.

De opvoeding en de opleiding
Ik ben in 1945 - vlak na de Duitse bezetting - op nog geen kilometer van deze plek geboren. Mijn vader en moeder hadden een kwekerij en dat was hard aanpoten. Ik ben de middelste van vijf kinderen en wij werkten allemaal mee op het bedrijf. Hard werken en weinig verdienen was in die tijd niet ongewoon. Voor mijn ouders vormde het geloof in Christus een drijvende kracht in hun leven en dat hebben ze aan ons ook kunnen overdragen. Al vroeg ben ik hen in die weg gevolgd en tot op de dag van vandaag is het mijn levensovertuiging. 

Met die keuze om schilder te worden waren mijn ouders aanvankelijk niet zo gelukkig. In het algemeen werd toen gedacht dat daar geen droog brood in was te verdienen. Wat dat betreft vormden mijn ouders helemaal geen uitzondering. Ouders willen graag dat hun kinderen goed terecht komen en dat ze een eigen inkomen kunnen verwerven. Ze hebben me nooit tegengehouden want ze kenden me goed genoeg om te weten dat hun kind wat dat betreft toch zijn eigen kop zou volgen. 

Ik ben in het begin van de zestiger jaren op de Academie Minerva gekomen, dat was vlak voor de revolutie van die tijd. Alles moest anders, weg met het gezag, weg met de voorgaande regels en lang leve de vrijheid. Komend uit een beschermde christelijke gemeenschap werd ik natuurlijk wel voor de leeuwen geworpen. Het was uitzonderlijk dat je nog in God geloofde en dus moest je je leren verdedigen of overstag gaan. Voor mij is die tijd heel leerzaam geweest en ik ben er geestelijk door gegroeid.

Ik heb nog een vrij klassieke opleiding gehad. Er was ruimte voor het experiment. Maar er was ook alle ruimte om je te voegen in de meer bekende traditie van schilderen. Het werd als heel bijzonder ervaren dat ik, naast een soort academisch impressionisme, schilderijen maakte die heel realistisch waren. Ik streefde naar een goede stofuitdrukking. Dat was eigenlijk een beetje uit de gratie geraakt en daar keek men toen heel erg van op.

Men kijkt nu anders aan tegen het vak van beeldend kunste-naar dan in de vijftiger of zestiger jaren. Ik heb eens een verhaal gehoord van een Groninger kunstenaar, die zei:" Toen ik in de late vijftiger jaren naar Minerva wilde, stond mijn moeder te huilen achter het aanrecht. Maar als je nu, in de tachtiger of negentiger jaren, je ouders meedeelt dat je kunstenaar wil wor-den dan staan ze te juichen achter het aanrecht." 

Een beetje gechargeerd natuurlijk, maar daar zit toch wel iets in, het hele klimaat is anders geworden. Het kunstenaarschap heeft wel iets behouden van onzekerheid, maar de status van de kunstenaar is ook weer wat opgevijzeld, geloof ik. 

Geschiedenis
Aan het eind van de vorige eeuw was er duidelijk sprake van een neiging om te breken met de traditie, in ieder geval te breken met het classisisme en op een spontane manier te rea-geren op de werkelijkheid. De impressionisten zijn daar het grote voorbeeld van. Dat wil niet zeggen dat de impressionisten niets meer wilden weten van esthetische regels. Er was alleen een geweldige behoefte ontstaan om spontaan te reageren op de hun omringende werkelijkheid. Eenmaal op gang gekomen heeft die neiging zich voortgezet, waaruit later al die ismes zijn ontstaan: impressionisme, expressionisme, kubisme, en op den duur de abstracte kunst. 

De officiële schildersscholen van de negentiende eeuw waren sterk in een keurslijf van academische regels gedrukt. Het neo-classisisme vierde hoogtij en men keek heel erg op tegen de oude Grieken en de Romeinen. Alles moest voldoen aan de eisen van de klassieke traditie; er bestond een klassieke invulling van het landschap, van het portret, van een historieschildering; die klassieke benadering werd als een soort ideaal gezien. Geen wonder dat hier een sterke reactie op kwam.

Voor mij, een jongen die in 1945 geboren is, was er aan die ontwikkeling weinig toe te voegen. Welke grens moest je nog verleggen? Wat moet je na Mondriaan en de abstracte schilder-kunst nu nog uitvinden om echt iets nieuws toe te voegen. Eigenlijk is dat onmogelijk en dat zie je ook als je om je heen kijkt. Aanvankelijk had ik helemaal geen kennis van de abstracte schilderkunst. Ik wilde eigenlijk gewoon mooie dingen maken. Wat is daar mis mee? Mensen kijken graag naar schoonheid, naar mooie dingen, iets wat in harmonie is. Mensen gaan in hun vakantie naar mooie gebieden, zoeken naar iets wat een appèl doet op oergevoelens, op een schoonheidsbeleving.

Toen ik in 1967 uit militaire dienst kwam en zelfstandig schilder werd maakte ik impressionistisch werk: landschappen, bloemstukken en portretten. Daarnaast schilderde ik heel fijn uitgewerkte schilderstukken. Op dit werk kreeg ik van gewone mensen maar ook van mijn leraren de meeste reacties. Zo van: “Die schilderijen hebben toch het meeste karakter”. Zulke reacties stimuleerden mij om in deze richting door te gaan. Toch is het gek dat ik altijd een hele grote belangstelling heb gehouden voor de wat meer impressionistische benadering. Je ziet dat ook aan de collectie die we hier in huis hebben. Het accent ligt op schilderijen die over het algemeen wat breder geschilderd zijn dan mijn eigen werk. Met een wat lossere penseelvoering.

Geloof en werk
Laat ik beginnen te zeggen, dat ik mij vertil als ik daar beeldend vorm aan zou willen geven. Zoveel zelfkennis heb ik wel. Nodig vind ik het ook niet, want de schepping heeft iets van een totaliteit en daar hoort zowel de mens bij als het miertje en de grote eikenboom.

Een verheven onderwerp heb je eigenlijk niet nodig voor het uitgangspunt in een schilderij. Er staat in de bijbel, in het boek der psalmen de volgende tekst:" de aarde is des Heeren en haar volheid". Voor mij geeft die uitspraak op een fantastische manier aan hoe het eigenlijk zit. Alles mag erbij horen en juist die volheid geeft ook de enorme variatie van het leven aan. Het één kan niet zonder het ander en daarom is alles eigenlijk de moeite waard om als thema te behandelen. Want als je een appel ergens neerlegt of een peer of wat voor vrucht ook, dan zie je hoe het licht daarmee bezig is en hoe dat licht de ware schoonheid van zo'n vrucht laat zien en dan is zoiets in klein bestek net zo mooi als een berglandschap bij wijze van spreke. Dus alles is, vind ik, in principe de moeite waard om te schilderen.

Ik raad niemand af om een interessant idee te schilderen. Iedereen moet vooral doen wat hij nodig vindt om te doen, maar je kunt op zoveel manieren uitdrukking geven aan je gevoelens en aan je beleving of wat dan ook. Ik denk dat dat ook één van de vruchten is geweest van de Reformatie. In de tijd van voor de Reformatie vormde het religieuze thema het uitgangspunt voor kunstenaars . Maar als je de kerk als opdrachtgever verliest, wat toen gebeurde, wat dan? Dan kijk je om je heen en dan lees je met nieuwe ogen wat de bijbel schrijft over de Schepping. Dat was toen nieuw, vergeet niet dat de leek nog maar net had leren lezen. De schoonheid van een wolkenlucht en de pracht van een vergezicht of iets wat nabij is, dat is allemaal zeer de moeite waard. Ik ben heel blij dat wij in Gods schepping mogen geloven met zijn geweldige gevarieerdheid en veelkleurigheid.

De mens als drager van een beeld
Wij zijn naar Gods beeld geschapen. Wij scheppen cultuur. Wij hebben een aantal eigenschappen gekregen die afgeleid zijn van scheppen: wij mogen herscheppen. Is dat nodig? Dat weet ik niet, maar het gebeurt en je kunt er op verschillende manieren mee omgaan. Je kunt als mens de werkelijkheid verrijken of kapot maken. Dat is een wonderlijk proces. Je kunt een stad opbouwen en je kunt een stad vernietigen. Je kunt iets verzamelen en je kunt het bij het grof vuil zetten. Maar de mogelijkheid om het leven te verfraaien, dat is iets wat God in ons heeft gelegd, denk ik. Misschien geen echte noodzaak, maar het is alleraardigst dat het er is. 

Onderwerpen
Ik zeg wel eens: dingen die iets meegemaakt hebben worden alleen maar mooier. Een bronzen pot die net gegoten is, daar is weinig aardigheid aan te beleven. De vorm is natuurlijk goed als de pot goed is, maar de huid van de pot wordt mooi door het gebruik. Of hij raakt zoek en komt in de grond en krijgt door de inwerking van de bodem als het ware een nieuwe huid die schilderkunstig vaak meer te bieden heeft. Chinese voorwerpen die uit graven zijn gehaald en wel 2000 jaar oud kunnen zijn, die zijn er alleen maar mooier op geworden. 

Ik vind het belangrijk dat ze een geschiedenis hebben omdat ze daardoor zo mooi zijn geworden, dus het gaat eigenlijk om de optimale schoonheid van de dingen. De oppervlakte van de pot heeft een mooie kleur gekregen en die gebruik je. Ik heb echter ook schilderijen gemaakt van kartonnen dozen die net uit de winkel zijn gehaald maar toch voor mij qua vorm zó interessant zijn dat ik daar ook mee uit de voeten kan. Bekijk je zo'n schilderij goed dan is er geen doos bij waar niet een klein beetje aan mankeert. Anders zorg ik er wel voor dat die toch een beetje beduimeld lijkt. Ik zet, als het ware, de dingen zonodig naar mijn hand. En dat geeft natuurlijk ook iets levendigs aan de zaken die je schildert. Ik schilder liever een wormstekige appel, dan een appel die goedgekeurd is voor de export, want daar is vaak geen moer aan te beleven: die zijn te rond, te gaaf, te eenvormig van kleur, dat moeten we dus niet hebben. 

Die schilderachtigheid moet je natuurlijk wel maximaal uitbuiten en dat zou ik eigenlijk geen truc willen noemen. Als je de techniek niet eheerst kun je niet uitdrukken wat je innerlijk nastreeft .

Kerkinterieurs
De schoonheidsbeleving die ik ondervind in de kleine wereld van het stilleven beleef ik ook heel sterk in sobere Romaanse, Romano-Gotische of Gotische kerkgebouwen. Vooral de sfeer treft me en dan met name in die kerken waar de beeldenstorm op z'n minst wat sporen heeft nagelaten. De kerkruimte ontdaan van teveel frutsels en franjes. Ik herinner me nog heel goed de pas gerestaureerde kerk te Loppersum, ik meen rond 1960. Toen ik die ruimte binnentrad was ik zo diep onder de indruk van de sfeer die daar hing, die blanke, die witte muren en die accenten, éven die accenten van rood, van restanten van fresco's enzo. En dat blanke eiken van hier en daar een meubel, het licht wat door de ramen viel; ik was daar echt diep van onder de indruk. Zo heb ik dat ook heel sterk ervaren toen ik voor het eerst een bezoek bracht aan de kerk van Bozum in Friesland met z'n prachtige halfronde absis. Ik heb dan bijna het gevoel dat de Geest Gods daar door de gewelven zweeft, een sterk religieus besef.

Misschien moet je het schilderen van kerkinterieurs vergelijken met het verbeelden van het meest nederige. In de Neo-Romaanse en Neo-Gothische kerken van de vorige eeuw tref je wel technische hoogstandjes aan maar daar mis ik die sfeer. Die middeleeuwse gebouwen hebben een speciale balans in de verhoudingen, muren met rondbogen of spitsbogen, witgestucte muren, vaak een kruisvorm, niet teveel ramen, ook weer niet te weinig. Zo is een sfeer ontstaan die nadien eigenlijk nooit is is geëvenaard. Als schilder vind ik het geweldig boeiend daar op te reageren, daar iets mee te doen. Toen ik voor het eerst de Pieterskerk in Utrecht binnenkwam meende ik een schilderij van Pieter Saenredam binnen te lopen. Saenredam moet het-zelfde gevoeld hebben als ik. Hij heeft er op zijn manier op gereageerd en ik doe het op de mijne. Want eigenlijk wil ik als schilder weinig toevoegen om het tot een boeiend schilderij te maken. De visuele ervaring van die ruimte wil ik op het platte vlak weer oproepen. Is dit de moeite waard? Ik vind van wel.

Een beperkte ruimte is misschien wel indrukwekkender dan de oneindige ruimte. Je kunt zeggen dat de intimiteit van de binnenruimte heel boeiend is om iets mee te doen, omdat je tot een ander soort licht komt dan in een landschap. Het licht komt altijd door een raam, waardoor het zeer plaatselijk aanwezig is. Een concentratie van licht die maakt dat iets als het ware uit-gelicht wordt. De bronzen pot waar ik nu mee bezig ben is buiten lang zo mooi niet. Hoe dat komt? De belichting door het raam geeft een hoogste licht en een wegvloeiende partij, die in de schaduw staat; daarom komt de vorm veel mooier tot uitdrukking. 

Een kerkinterieur met veel ramen is nooit zo mooi als een kerk die wat minder ramen heeft. Neem bijvoorbeeld de kerk van Monnickendam, waar ik zelf ook een schilderij van heb gemaakt. De zuidbeuk is echt een voorbeeld van een kerk uit de hoog Gotiek, laat 15e, begin 16e euw. Veel ramen aan de zuid-kant, grote ramen en dat licht gaat maar door die hele zuidbeuk. Toen ik die kerk schilderde heb ik een paar ramen als het ware dichtgemetseld. Daardoor ontstond achter in het tafereel een concentratie van licht en op de plek waar ik aan het schetsen was een schaduwpartij. De toeschouwer kijkt vanuit de schaduw naar het licht. Dus in die zin moet je ook wel eens ingrijpen en de dingen naar je hand zetten. 

De kerk van Bolsward bijvoorbeeld heeft zijbeuken waardoor het licht eerst in de zijbeuk binnenvalt en dan geremd wordt door de pilaren en de muurvlakken voordat ze het schip van de kerk in valt. In het gemeen is het wel zo dat een kruiskerk of een hallenkerk geschikter is om een schilderij van te maken dan een kerk die geen zijbeuken heeft, geen kruiskerk is, omdat je dan minder gebruik kunt maken van hoeken die ontstaan. Juist een schuine inkijk heeft iets spannends. Daarnaast ja, valt het mezelf nu op dat ik toch ook heel graag, vanuit een centrale as de zaak in beeld breng: recht kijken in het koor, recht op een raampje, dat geeft ook wel weer iets heel evenwichtigs vind ik.

Misschien heeft dat wel te maken met wat Mondriaan heeft gedaan; alle dramatiek is weg en je kijkt naar horizontalen en verticalen die dan weer ingevuld zijn met kleur; de vlakken die dan overblijven. 

Tussen Jan van Eyck en Mondriaan
In de schilderkunst tref je reacties aan naar aanleiding van een nauwkeurige waarneming en reacties die veel meer uit de fantasie van de mens komen. Iemand als Jan van Eijk heeft geen letterlijk verslag gemaakt van alles wat hem voor ogen is gekomen. Maar als je in Gent voor het altaarstuk "Het Lam Gods" staat, en je bekijkt het grasveld en de tuin dan zie je daar geloof ik wel 20 tot 30 soorten planten in het gras. Hij heeft die dus echt geregistreerd. Maar hij trok zich er niets van aan of die planten allemaal wel op dezelfde tijd groeiden of bloeiden. Hij gebruikte de kleur van die planten in zijn compositie, wist op meesterlijke wijze dat groene vlak af te wegen ten opzichte van de overige kleurvlakken, zoals de rode mantels van de bisschoppen. Het gaat hier niet om klakkeloos kopiëren, maar om een persoonlijke verwerking van de zichtbare werkelijkheid.

Dat is het boeiende van de kunst, je kunt er op zoveel manieren mee bezig zijn. Vorig jaar was ik met onze zoon in New York en zag ik op de kijkdag van Christie's een schilderij van Mondriaan temidden van een aantal schilderijen van bekende impressionisten. Alsof ik een klap in m'n gezicht kreeg! Het was ook één van de mooiste Mondriaans die ik ooit gezien heb; zo schitterend afgewogen, je hebt daar dan geen woorden voor maar je ervaart diep van binnen, wat daar aan de hand is. 

Schilder van de twintigste eeuw
De historieschilderkunst en de bijbelse schilderkunst werden vroeger gezien als de hoogste vorm van schilderkunst. Landschappen en stillevens stonden op een veel lager niveau, hadden lang niet het aanzien van de vertellende schilderkunst. Portretten ontstonden vrijwel alleen in opdracht om status te geven aan de geportretteerde. Ik kan me geen 17e eeuwer voorstellen die er aardigheid aan zou beleven om een schilderij te maken zoals Mondriaan dat maakte of zoals een abstracte schilder dat zou maken. Dat is toch de vrucht geweest van de ontwikkeling van de schilderkunst; dat wij in schilderkunstige termen kunnen denken zonder daar direct een voorstelling bij te willen zien. Wat ik gedaan heb is eigenlijk een soort terug-schakeling in combinatie met de verworvenheden van het denken over de kunst van de laatste eeuw.

De museumdirecties zijn van mijn bestaan in het algemeen wel op de hoogte, maar ze nemen niet de moeite om nader kennis te maken met dit werk. Sinds de 60-er jaren is er sprake van een, ik zou haast zeggen, een eigen figuratieve stroming in Noord-Nederland. De musea hebben daar zo goed als niets mee gedaan en dat is toch heel apart.

In het Stedelijk Museum zul je niet snel werk aantreffen van een figuratief schilder, tenzij die citeert uit de kunstgeschiedenis. Je hebt op het ogenblik allerlei schilders die op de kunst-geschiedenis reageren. Ze nemen een schilderij van Velasques en gaan dat verwerken tot een nieuw werk. Het resultaat is technisch vaak om te huilen, maar er ontstaat de suggestie dat ze iets nieuws uitgeprobeerd hebben. Een schilder als Vincent van Gogh heeft overtuigend laten zien dat het ook anders kan; zijn schilderijen naar aanleiding van Japanse prenten zijn echte Van Gogh's geworden.

Hier in Westeremden hebben we als het ware ons eigen museum gecreëerd. Mensen ervaren hier wat ze in de musea nauwelijks tegen komen. Eerlijkheidshalve moet ik wel zeggen dat er de laatste tijd wat kleinere musea zijn die wel tot aanschaf en exposeren van figuratieve kunst overgaan. 

Kunst en fotografie
Op een foto raak ik op een bepaald moment een beetje uitgekeken. Bij een schilderij is het de persoonlijke vertaling van de werkelijkheid die mij zo boeit. Je legt het accent daar waar het zo goed mogelijk functioneert. De werkelijkheid biedt eigen-lijk een teveel aan informatie. Deze informatie wordt via je hersenen en je handen verwerkt tot een nieuwe schilderkunstige werkelijkheid. Er worden zodanige keuzes gemaakt dat er een optimale aandacht onstaat voor de sfeer, voor het licht, voor waar het op aan komt op dat platte vlak. 

Stel je voor dat de Staalmeesters van Rembrandt gefoto-grafeerd waren, dan had je misschien een hele mooie foto gehad. Rembrandt heeft de mensen geschilderd in een moment van opperste concentratie. De aandacht van de mensen die daar bezig zijn te vergaderen en even opkijken, het licht wat perfect op het vlak is verdeeld, het tafelkleed waar ze achter zitten, dat is geen verslag van het tafelkleed, maar dat is een rode partij waarbij je niet direct denkt aan: oh wat is dat een mooi Perzisch kleed, maar wat heeft het daar een prachtige abstracte functie ten opzichte van dat zwart van die kerels die daar achter die tafel zitten en die witte beffen en die zwarte hoeden. Dat kan een foto gewoon niet in die mate registreren. En daarbij komt nog dat een schilderij meestal wordt opgebouwd in lagen, waardoor de huid een bepaalde substantie krijgt. De oppervlakte van een foto is vlak en strak. Je moet misschien het ene ook niet willen ver-gelijken met het andere; je kunt appels en peren ook niet met elkaar vergelijken. Een foto is een foto en een schilderij is een schilderij.

Als ik voor een abstract schilderij sta dan heb ik van binnen ook niet iets van: dit moet een verwerking zijn van de werkelijk-heid. Je mag toch ook iets in beeld brengen wat niet direct refereert aan de werkelijkheid.

Sommige kunsttheoretici beweren: met het reageren op de werkelijkheid hebben wij eigenlijk niet zoveel te maken, kunst moet iets scheppen wat volledig nieuw is. In die zin moet de kunstenaar eigenlijk een God willen zijn; hij moet niet her-scheppen, maar scheppen. De resultaten van deze kunstopvatting, die hijgend elke nieuwe mode achterna loopt, vind ik niet echt de moeite waard. De idee loopt hier eigenlijk voorop, de idee bepaalt de kwaliteit en niet de verwerking van dat idee.

Kijk, je moet uiteindelijk wel een beeld hebben, je kunt niet met niks iets doen. Een wit stuk papier, dat blijft een wit stuk papier, zolang als je daar niets mee doet. Er moet toch iets van herkenning zijn van dingen die je kunt plaatsen anders is het niks. Als je de mens als itgangspunt neemt, kun je daar ver-schillende dingen mee doen. Je kunt hem laten zien als iets fantastische moois, maar ook als een griezel, als iets wat geweldig vervormd is, om angstig voor weg te lopen. Al die mogelijkheden bestaan, maar daar heb je enige herkenning wel voor nodig. 

Wat is een goed schilderij?
Een goed schilderij bestaat voor mij uit harmonie, een goeie ritmiek, een mooie sfeer en een boeiende kleurverdeling. Enerzijds zijn dat allemaal technische aspecten, maar anderzijds is het ook de optelsom van die elementen die mede de kwaliteit van een schilderij bepalen. Ik streef naar een hele hoge kwaliteit, maar het is natuurlijk afwachten of je daarin ook slaagt en de mate van je talent is daarin ook zeer bepalend. Maar laat ik zeggen, ik haal eruit wat erin zit, die instelling heb ik nodig om te voldoen aan mijn idealen van een goed schilderij.

Een wandversiering, een verfraaiing van de wand, dat is een schilderij ook, verfraaiing van het leven eventueel, maar in een schilderij wordt een wereld opgeroepen waarbij je oog niet alleen de zaken constateert die erop voorkomen, maar je fantasie wordt ook geprikkeld. Een goed schilderij overstijgt het decoratieve; door lichtval en subtiele nuanceringen gebeurt er eigenlijk van alles op een interessant schilderij.

Vroeger wilde ik portretschilder worden, omdat ik me helemaal vergaapte aan de prachtige portretten die in de kunst-geschiedenis zijn ontstaan. Ik denk dat het ook belangrijk is, dat een kunstenaar kiest voor zijn kracht en daarmee geef je natuurlijk aan dat je een aantal zwakheden hebt die je niet de baas kunt. Er zijn wel alleskunners, die geniale figuren heb je, maar daar hoor ik niet bij. Ik moet mij op enkele aspecten concentreren en daar alles uit halen wat erin zit. Iemand als Rembrandt vind ik echt een universeel kunstenaar en ik denk dat Picasso dat vermogen ook had evenals de hedendaagse schilder Matthijs Röling. Laatstgenoemde kan een landschap schilderen, een portret maken, een stilleven schilderen, hij maakt fantasieën, hij kan in feite alles aan, maar daar hoor ik dus niet bij.

Ik denk aan iemand als Adriaen Coorte, een schilder uit Zeeland, die de late 17e eeuw leefde. Hij heeft zijn hele leven niks anders gedaan dan een aantal paneeltjes schilderen van klein formaat, met een bosje asperges, een paar kruisbesjes, wat rode of witte bessen, een paar vlinders, een paar schelpen. Kortom een heel beperkt gebied wat hij onder handen nam. Maar als ik in het Rijksmsueum kom dan kijk ik niet alleen naar een hoogte-punt als het Melkmeisje van Vermeer of de Staalmeesters van Rembrandt, maar dan bezoek ik ook altijd even dat bosje asperges van Adriaen Coorte. Waarmee ik te kennen geef dat een klein talent ook tot bloei kan komen.

Ik zie mijn eigen werk als een verlengstuk van een eeuwenlange figuratieve traditie. Gaandeweg is er meer en meer iets Helmantelachtigs ontstaan en ik hoop dat ik nog jaren aan die ontwikkeling kan werken.